zondag 6 november 2011

Paardentram (RET)

Lang geleden zat ik in het dienstlokaal met een stel jongelui te praten, toen er een collega kwam binnenlopen die tot chef gebombardeerd was. Hij was nog gekker dan ik.

Hij zei tegen mij: “Cor, weet je nog die keer van de paardentram, toen jij het verkeerde paard meegenomen had?”

“Oja, dat paard stond bij iedere halte te slapen, omdat het net een late dienst achter de rug had. Het paard dat gepland stond voor de vroege dienst, stond zich rot te lachen.”

De jonge chauffeurs wisten niet wat ze hoorden, want onze fantasie sloeg flink op hol. We verzonnen er steeds meer gekkigheid bij.

Dat er van dit verhaal weinig klopte, kwam aan het licht toen zij zich af begonnen te vragen hoe oud ik nou eigenlijk was, in combinatie met het feit dat de electrische tram al meer dan 100 jaar rond reed.

Drie maal in de rondte van je Hopsa…sa! (RET)

Ik had eens een gekke bui en reed een dienst op lijn 45. De zoveelste passagier stapte in zonder “boe of bah” te zeggen. Ik reed op het Hofplein en dacht, zal er iemand zijn kop open doen als ik hier 3x in de rondte rijd. Vervolgens voegde ik de daad bij het woord.

Na 3 rondjes Hofplein was er nog steeds niemand die vroeg of er een omleiding was of iets dergelijks. Toen heb ik mijn rit met veel verbazing verder uitgereden.

donderdag 1 september 2011

Verkeerde beroepskeuze (RET)

Ik had nogal last van mijn rug. De reservedagen die in het rooster zaten werden opgeslokt door conducteursdiensten. Toen ik vroeg om mij een beetje te ontlasten, werd ik totaal niet gehoord. Ik zei tegen de bedrijfsarts dat ik hem een eigenwijze vent vond. En dat hij zijn beroep mis gelopen was. Er was aan hem namelijk een goede fietsenmaker verloren gegaan. Ik meldde me na de eerste reservedienst in de remise. Na het uitrukken met die tram, meldde ik me vanaf de Honingerdijk ziek. Toen moest ik naar de bedrijfsarts toe. Die begon te hakkelen, nadat ik hem een ander beroep had aangeraden. Hij voelde zich ongemakkelijk en stuurde me naar meneer Dinges. Meneer Dinges zei dat ik mijn excuus moest maken bij de bedrijfsarts. Hij zei tegen mij dat ik verder moest nadenken.

En dat deed ik, wel 3 keer, te weten:

1.) Nou niet!        2.) Dan niet!    en    3.) Nooit niet!

Later reed een man van de dienstindeling met mij mee. Toen bleek al gauw dat hij mijn mening over die bedrijfsarts deelde.

Hij zei tegen mij dat ik de enige was die wat ik vond durfde te zeggen tegen die bedrijfsarts. Kort daarna is die bedrijfsarts naar Australië geëmigreerd.

Vier zwanen (RET)

Tijdens een dienst op lijn 45 lagen er vier zwanen achter een boom op de Bergsingel. Ik heb er even naar gekeken, maar ik zag er geen leven meer in.

Op dat moment hoorde ik een bericht over de mobilofoon van een bestuurder die een melding maakte, dat er een hondje was aangereden en dat het beestje er ernstig aan toe was. Of er een dierenambulance naar toegestuurd kon worden.

Toen reageerde ik: “CP, als die dierenambulance dan toch rijdt, stuur hem dan gelijk even door naar de Bergsingel.”

“Wat is daar aan de hand?” vroeg de CP. Ik antwoordde: “Er liggen daar vier zwanen die heel ernstig gewond zijn.”

“Heeft dat nog zin dan?” was de vraag. Ik zei: “Ik ben niet deskundig, maar alleen hun nekken zijn eraf.”

De volgende dag kwam ik de chef tegen die de vorige avond dienst had op de CP. Hij zei: “Cor, houd jij voortaan je geintjes alsjeblieft voor je, want ik krijg daarvoor op mijn donder.”

Mijn weerwoord was: “Dan straffen ze eindelijk de goeie.”

zaterdag 30 juli 2011

“Piet Grote Stap” (RET)

Er was eens een chef, hoe hij heette dat ben ik vergeten!

In ieder geval liep hij altijd met hele grote stappen met zijn zeven mijlslaarzen.

Op een dag had hij een chagrijnige bui, want hij vond dat er veel te vaak over de CP werd gevraagd “hoe laat is het?”

We moesten van hem allemaal maar eens ons horloge gelijk zetten, want hij was niet meer van plan om continu aan iedereen de juiste tijd door te geven.

Prompt vroeg er iemand: “CP, nu sta ik al een half uur voor de spoorbomen en ze gaan maar niet open.” Waarop hij vroeg: “Waar staat u dan?” “Bij het Kralingse Bos,” was het antwoord.

“Hoe kan dat nou, daar rijdt helemaal geen trein!” zei de chef prikkelbaar. “O, nou dan ga ik maar weer verder” zei de chauffeur onnozel.

Dezelfde chef kwam op een dag bij mij thuis langs en vroeg of ik met hem mee ging naar de CP.

Ik vroeg hem wat ik daar zou moeten doen. Hij vertelde dat ik dat daar wel te horen zou krijgen.

Ik vroeg hem of het om een klacht ging. Hij stelde dat je dat zo wel zou kunnen noemen. Waarop ik doorvroeg of dat in diensttijd gebeurd was. Toen hij dat bevestigde, zei ik hem dat hij dan ook maar in diensttijd daarop terug moest komen. Ik zei tegen hem

“morgen om 16.00 uur ben ik te spreken in het dienstlokaal.”

Vervolgens deed ik de deur voor zijn neus dicht. En zo vertrok hij met grote stappen onverrichterzake naar de Kleyweg terug.

Joyrijden (RET)

Op een avond bracht ik een wasmachine naar een vriendin toe in de Pluvierstraat. Daar stond een autobus van lijn 34 geparkeerd.

Ik stapte die bus in en startte met behulp van een spijker.

Zo reed ik, in mijn overall en op klompen, de bus naar het beginpunt.

Daar aangekomen stapte de eerste passagier in en meteen reed ik terug richting Pluvierstraat. De eigenlijke chauffeur, was al op weg naar zijn bus, zodat hij precies om half 8 aan het beginpunt zou zijn.

Hij schrok zich het “leplazerus” toen hij zag dat zijn bus verdwenen was. Hij wilde het gelijk op een draven zetten richting beginpunt.

Plotseling dook er nog een collega (buiten diensttijd) op, waartegen hij al stotterend verklaarde dat zijn bus kwijt was. Waarop hij het antwoord kreeg, dat die ander een bus met een chef erin voorbij had zien komen.

Bij mij in de bus vroeg mijn passagier: “Cor, er was hier toch net nog een andere bus, dat klopt toch niet?” Ik zei: “Die bus komt zo terug.”

Tegelijkertijd zie ik hem in mijn spiegel aankomen. Dat was een leswagen. De instructeur vroeg mij: “Waar ben jij naar toe geweest?”

Zeker thuis koffie wezen drinken?” “Dat doen we niet meer!”

“Ach, man, als we nog eens zo’n zelfde dienst, op dezelfde tijd hebben, dan krijg jij ook een bakkie koffie”, beloofde ik hem.

Deze spontane actie was tevens mijn eerste kennismaking met de allereerste vrouwelijke buschauffeur.

Na verloop van tijd kwam ik terug op de plek, waar ik de bus vandaan had gepikt. De diensdoende chauffeur was opgelucht dat hij mij aan zag komen. Lachend verwisselden wij van plaats, zodat hij zijn dienst kon vervolgen.


zondag 24 juli 2011

De meest “rug-vriendelijke” chauffeursstoel (RET)

Nu gaan we wel even heel ver terug in de tijd. We reden  nog met van die oude Saurers (Zwitserse autobussen). Je had een straattegel nodig om onder je kussen te leggen, voordat je stoelzitting op de goede hoogte zat. Op een dag kwam de bedrijfsarts (die ik al eens eerder geadviseerd had om zich tot fietsenmaker om te laten scholen) samen met een ingenieur een stoel ontwerpen, die voor de gemiddelde chauffeur bruikbaar zou moeten zijn.

Nadat de stoelen in onderdelen vanuit Zwitserland naar Utrecht aangekomen waren, vroegen beide heren zich af waar zij de chauffeursplek het beste konden plaatsen. Er werd een plekje voorin

gecreëerd, want achterin was een beetje al te gek.

Als je grote voeten had, moest je enorm nadenken voordat je begon te remmen. Eerst voorzorgsmaatregelen treffen. Je voeten in een bepaalde stand manoevreren om de rem goed te kunnen bedienen, zonder dat je klem kwam te zitten tegen het voorfront.

De kachel die de voorruit moest verwarmen, daar hadden ze bij de RET nog nooit van gehoord. Om de voorruit ontdooid de houden, hadden zij het volgende bedacht. We moesten de voorruit met een flinke laag glycerine insmeren. Dat werd vervolgens een gigantische vette klerezooi. Mede door een 2e uitlaat (soort van verwarming), die door de hele bus van achter naar voren heen werd geleid . Deze afvoer kwam namelijk achter de chauffeur omhoog.

Zelf had ik een betere oplossing bedacht. Ik had namelijk op de sloop een electrisch kacheltje op de kop getikt en dit had ik in mijn eigen Ford Taunus geïnstalleerd. Ja, voor mezelf had ik mijn zaakjes goed op orde. Jammer genoeg was het in de bus ’s winters flink afzien.

Waterballet (RET)

Tijdens een laatste rit van mijn dienst op lijn 34 naar Capelle a/d IJssel, was er op de hoek van de Slotlaan/Rembrandtsingel een waterleiding gesprongen. In de voortuin van de huisarts aldaar en op de weg, ontstond een enorme waterpartij. Dit nodigde mij uit om er met een rotgang doorheen te rijden. De autobus was even voor een paar meter net een duikboot. Het water spoot meters hoog naar beide kanten. Wat ik echter over het hoofd gezien had, was dat daar achter de heg een man aan het werk was van de DWL. Door de ontstane vloedgolf werd deze ijverige arbeider bijna verzopen.

Aan het eindpunt werd ik afgelost door een collega, die drie huizen verder woonde dan ik, en aangezien wij alle twee bijna aan het eindpunt woonden, wisselden wij daar alvast van plek in plaats van aan Dijkzigt zoals het eigenlijk hoorde. Wij vonden namelijk beiden dat twee “kapiteins op een schip” niet echt nodig waren.

Mijn aflosser rijdt dus weg en wist van dat hele waterballet niets af.

Even later werd hij aangehouden door de man die er wel degelijk van af wist. Hij stond met een emmer water klaar en na een flinke scheldpartij over en weer kieperde hij zijn emmer water door het raam naar binnen. Bijna in het gezicht van die onschuldige chauffeur.

dinsdag 19 juli 2011

De Geit (RET)

Ik had eens trammelant met een CBA. Hij had gelijk, maar ik wilde het niet toegeven. Ik dacht ik kom jou nog wel eens tegen, en ja hoor, diezelfde dag nog zag ik hem zitten op een bankje in de Alexander Polder met twee collega’s. Ik toeterde en wenkte naar hen en zij kwamen naar mij toe gelopen. Ik zei: “Wat ik nou toch meegemaakt heb, dat zal je niet geloven.” Hij vroeg: “Wat heb jij nou weer meegemaakt?”

Ik vertelde hem dat er bij de halte Rustwat een man met een geit stond. Toen ik de deur opende sprong de geit naar binnen en rende naar de achterbank. Verbaasd vroeg ik die man wat hij ging doen.

Waarop hij antwoordde dat hij naar Capelle ging en dat hij iedere dag met zijn geit zo reisde. Ik zag dat helemaal niet zitten en vertelde hem dat ik hartstikke bang was voor geiten. Dus heb ik die man met zijn geit weggestuurd.

Maar ja, nou zit ik er een beetje mee, wat vinden jullie, vroeg ik aan die CBA’s, moet ik die geit de volgende keer nou meenemen of niet?

De goochemste van de drie stelde voor dat ik dat via de CP maar moest navragen. Maar aangezien iedereen mijn stem gelijk zou herkennen, wilde ik het zelf niet doen. Dus liet ik het een van hen doen. En ja hoor… even later klinkt het verhaal door de ether.

Ik deed het ondertussen zo wat in mijn broek van het lachen.

Het werd stil aan de andere kant van de CP. Toen klonk het nee van een CBA, de geit mag niet mee, omdat dat werk is voor een veewagen. Een poosje later werd ik opgeroepen door de CP met de vraag :

“Cor, dat was zeker bij jou met die geit?” Ik antwoordde: “Ik zal het nooit meer doen!”

Een hele grote koppel zwanen (RET)

Op een dag liep ik met mijn bus vast in een file van zwanen. Vader zwaan stond voor de troep en deed voor aan zijn kinderen hoe zij veer voor veer de boel glad moesten strijken. Ze hadden allemaal maling aan het verkeer rond om hen heen.

Een oudere dame was bezig om die beesten het water in te jagen. Maar toen vader zwaan lelijk naar haar keek en begon te blazen, ging het dametje op de loop. Ik keek het een poosje aan en besloot om haar te helpen. Ik liep erop af en zei tegen haar: “Kijk, dat moet je zo doen.” Ik stak mijn duim in vader zwaan zijn snavel en legde mijn arm over zijn lijf en ik tilde hem gelijk op en gooide hem in de singel. Alle andere zwanen volgden uit zich zelf.

Ik stapte weer mijn bus in en alle aanwezige passagiers begonnen te klappen. Tegelijkertijd kwamen de verhalen los. Ze vroegen mij hoe ik dat durfde. Ik vertelde mijn klanten, dat het enige wapen van zwanen

is dat zij kapsones hebben. Zij hebben geeneens tanden, dus bijten gaat al niet. Verder hebben ze een dot veren en als je die eruit trekt, houd je een spreeuw over. Wat kan die mij nou maken?

vrijdag 8 juli 2011

De boerderij (RET)

Komende van Rotterdam (lijn 34) kwam je langs de Transvaalbuurt in Kralingseveer, waar ik toen woonde. Het bestaat nu al lang niet meer. Tegenwoordig vind je daar een bedrijventerrein. Alleen enkele oudere mensen weten nog hoe dat daar vroeger was.

Zo reed ik toentertijd dus iedere rit langs mijn huis. Het thuisfront bracht dan verse koffie en brood bij mij op de bus. Want onze baas had toen nog geen koffie-automaat aan de begin- en eindhaltes. Die luxe kwam pas veel later.

Het gebeurde ook nogal eens dat ik ’s morgens bij mijn 1e rit even thuis aanwipte om de kachel aan te steken en een grote ketel water op de kachel te zetten. Dan was het heerlijk warm als mijn vrouw en kindertjes beneden kwamen.

Op een dag had ik een passagier, ik vroeg de man of hij haast had. Dat had hij niet en ik vroeg of hij even op mijn bus wilde passen.

Ook dat was okay. Zo kon ik even thuis die kachel en ketel doen.

Dat kon vroeger allemaal. En weet je… eigenlijk was de hele dijk vroeger een aaneengesloten vaste halte.

Op een dag stapte er iemand in die moest ergens op de Nesserdijk zijn, maar hij wist niet bij welk nummer. Ik zei: “Zeg de naam maar, dan geef ik je het nummer.” Hij moest bij Groeneveld zijn en ik kon hem vertellen dat hij op nummer 368 moest zijn. Die passagier vroeg of ik dat van alle bewoners wist. Maar ik had alleen maar geluk dat hij juist op dit adres moest zijn, want hier had ik ooit zelf gewoond.

Het konijn (RET)

Op een zondagmorgen was ik onderweg naar de garage voor een dienst op lijn 45. Ik reed op de Kralingse Plaslaan in de richting van de Kleiweg. Daar lag een konijn op het fietspad in onbeschadigde toestand. Ik stopte om hem op te pakken en bond hem onder de snelbinders van mijn bromfiets. Volgens mij had hij het prima naar zijn zin zo achterop, want hij knikte naar iedereen.

Ik hoorde een brommer naderen die veel harder kon dan ik. Opeens nam hij gas terug en bleef hij een tijd achter me rijden. Na een poosje haalde hij me in. Hij bleef steeds achterom kijken en miste op een haar na een lantaarnpaal.

Inmiddels was ik bij de garage aangekomen. Daar ging ik op zoek naar een stukje touw. Dat vond ik en bond ik om de nek van het konijn.

Zo sleepte ik het dier achter me aan. Een uitrukkende collega trapte op zijn rempedaal en vroeg mij: “Cor, wat ben jij nou aan het doen?”

“Ik ben mijn konijn aan het uitlaten.”

Vervolgens ging ik kijken welke autobus er op lijn 45 zou gaan rijden.

In die bus heb ik het konijn boven het stuur opgehangen. Als ik goed gekeken had, dan had degene waar ik deze grap bij uit had willen halen dienst. Die zou er namelijk nooit mee uitgerukt zijn zonder dat de reinigings- en ontsmettingsdienst eraan te pas zou zijn gekomen.

Het liep echter anders… een andere boerenjongen die het konijn zag, zei: “Verdomme, is die rot Cor Hoogland weer bezig!” En hij hing het beest op aan de spiegel in een andere autobus. Daarna zijn we het konijn uit het oog verloren.

maandag 6 juni 2011

Kruiwagen en Pruimenpers (RET)

Lang geleden had ik eens een reservedienst en reed ik over de Coolsingel richting CS. Opeens kreeg ik van een bestuurster te horen over de mobilofoon : “Centrale Post, vraag ik hier aan een werkman of hij zijn kruiwagen even aan de kant wil parkeren, zodat ik er langs zou kunnen, geeft hij me een enorme grote bek”.
Natuurlijk kon ik daarop mijn mond weer niet houden en zei ik:
“Ach, meid, rijd toch die kruiwagen in puin!”.

Tijdens die zelfde rit naar CS kom ik op het Weena, zie ik daar  net een hele slanke, jonge dame uitstappen. Ik zeg tegen mijn collega, waar ze bij uitstapte : “Heb jij wel eens een pruimenpers gezien?”
Zijn antwoordt was: “Nee”.
Waarop ik zei: “Moet je eens voorzichtig naar rechts kijken”.
Hij keek en begreep wat ik bedoelde en hij begon te grinniken.
Natuurlijk kwamen hierop wederom over de mobilofoon verschillende reacties van anderen.
Een ervan luidde : “Cor Hoogland, houd je kop!”

“Blijf van mijn Lijf!” (RET)

Er zei eens een vrouw tegen mij, “doe je vrouw de groeten.”
Ik zei: “Dat kan niet”.
Ze vroeg: : “Waarom niet?”
Ik zei: “Ik ben weggelopen.”
Ze vroeg: “Waarom?” “Heeft ze een andere man?”
Ik zei: “Nee, ik was dronken thuis gekomen en toen heeft zij mij geslagen.”
Twee dagen later kwam ik haar weer tegen in de bus en vertelde  zij mij dat zij was geslagen door haar Arie.
Toen heb ik tegen haar gezegd dat dat niks erg was, en dat ze dan gewoon naar het “blijf-van-mijn-lijf-huis”  moest gaan.
Ik vertelde haar dat ik daar laatst ook twee dagen gezeten had.
Toen wilde ze gelijk weten waar dat huis stond.
Ik heb haar verteld dat het huis aan de Schieweg staat.
En verder fantaseerde ik erbij dat ik toen ik daar de derde dag wakker werd en naar buiten keek, een vrouw buiten voor de deur zag lopen met een de volgende tekst op haar rug. “Cor, ik wil je terug!”
Toen ben ik maar weer met haar mee gegaan.

Vaste halte 2 (RET)

We hadden een chef die hartstikke gek was. Dat was in de tijd dat we in Capelle nog geen PW hadden rijden. We maakten toen zoveel mogelijk gebruik van lijn 2, die van Charlois naar de Remise Kralingen reed, met daarin altijd de halte aan Hillesluis.
Altijd vaste prik, stond aan de Hillesluis die chef, die de vermoeide chauffeurs, die in de tram al hun trommels uit zaten te rekenen,
(een enkele oude knar zal nog wel weten wat daarmee bedoeld wordt) op te wachten. Ten eerste mochten die chauffeurs eigenlijk al helemaal niet zitten, zelfs al was de tram compleet leeg.
Hij stond erop dat de chauffeurs bleven staan. Als wij hem zagen staan, stonden wij als één man op, en maakten tegelijkertijd het gebaar van “dikke-lul” en gingen daarna allemaal gelijk weer zitten.
Die chef verschoot van kleur. Hij wist dat er nog twee chauffeurs op de fiets door moesten naar Capelle. Hij wachtte tot de tram in Kralingen was. Toen wij daar aankwamen, was er telefoon voor
H. en H. De ene H. nam de telefoon aan en zei een heleboel lelijke woorden en gooide daarna de telefoon hardhandig op de haak. Dat ie nog heel was, was een wonder. De ander H. zei toen: “Wat jammer nou, ik had hem ook nog graag even aan de lijn gehad.”
De dienstdoende chef in Kralingen zei: “Daar krijgen jullie last mee.”
Maar uiteindelijk hebben we daar nooit meer iets over gehoord.

woensdag 20 april 2011

De mol (RET)

Lang geleden had ik eens een late dienst en reed ik over de Kralingseweg richting garage Kleyweg. Aan deze weg had ik een groentetuin met een paar beestjes. Deze beestjes hadden honger en ik besloot deze even tussentijds te voederen. Daar aangekomen, viel mijn oog op de mollenklem. En ja hoor… “Linda” zat erin. Reanimatie mocht niet meer baten. Dus ik stak de mol maar in mijn uniformjaszak. Na het voeren vervolgde ik mijn rit naar de Kleyweg.
Toen ik daar aankwam stond er een bus van lijn 39 klaar. Ik keek of er al een geldkistje in zat en dat was het geval. Daar heb ik mijn molletje ingestopt.
Even later kwam ik in het dienstlokaal. Mijn baas vroeg: “Wat heb jij nu weer uitgevreten?”
Ik zei: “Helemaal niks”. Ik vroeg hem daarna: “Van wie is die 39?” 
“Van de RET”, zei die lolbroek. “En daar gaat de chauffeur, kom we gaan er heen”.
Die chauffeur had net zijn geldbakje opengedaan en hij riep een heleboel piep-piep-piep-woorden, terwijl hij in dat zachte velletje greep.
Ik vroeg: “Heb je moeilijkheden, Hein?”
Hij antwoordde: “Ze hebben een mol in mijn bakje gedaan”.
Ik vroeg: “Wie?”
Hij zei: “Als ik dat wist dan ……”
Waarop ik zei: “Ik heb het gedaan”.
Hij zei: “Je liegt dat je barst”.
Ik zei: “Spreek ik een keer de waarheid en dan geloven ze me niet!”
In de loop van de avond kreeg diezelfde wagen pech. Toen hij over de mobilofoon aan de CP om een andere wagen vroeg, zei de chef CP: “Ogenblikje Hein, wil je dan een wagen met of zonder molshopen?” Daarna klonk er over de mobilofoon weer een hele riedel onfatsoenlijks.

Ontevreden klant (RET)

Op een avond reed ik op lijn 34 en kreeg ik van een passagier een krant. Hierin stond een stuk over “Service en Discipline bij de RET”. Omdat ik voor deze organisatie werkte, interesseerde mij dat bijzonder. Er was namelijk een journalist (Bram Oosterwijk) die een oude auto bezat. Op een dag wilde zijn auto niet starten. Hij ging daarom met het OV naar zijn werk. Hij trof het slecht, want lijn 2 reed net voor zijn neus weg. Op de volgende tram stond een conducteur waar de chagrijn van afdroop. Hij had geen goedemorgen gezegd en na de aanschaf van een plaatsbewijs ad fl. 1,-- kon er ook geen alstublieft of dank u wel af.
Bij het eindpunt aangekomen, heb ik na het lezen van zijn stuk, zijn nummer in het telefoonboek opgezocht. Ik belde hem en zei : “U spreekt met een Hork” (Zo noemde hij in zijn stuk alle RET-ers). Daarop kwam een reactie, waarin hij nog veel meer lelijks over ons uitkraamde. Hij besloot het gesprek met dat hij nooit meer met het OV meewilde.
 Ik zei : “Ik kan er werkelijk niet van slapen, als ik een klant ben kwijt geraakt!”. En ik bood aan dat als zijn auto de volgende dag niet zou starten, dat hij mij mocht bellen, dan zou ik hem aan komen slepen.
Naar aanleiding van dit stuk had ik een copie gemaakt en dit met telefoonnummer opgehangen in ons eindhaltehok. Met het verzoek aan alle collegae, deze ontevreden klant op verschillende tijdstippen te bellen met klantvriendelijke ideeën.
De volgende collega die hem belde, bood hem een stel wandelschoenen aan, die hij toch niet meer gebruikte.
Weer een ander belde met de vraag : “Kan ik u echt niet verleiden om de volgende keer toch de bus te pakken?” “Dan krijg je een bus met een vrolijke chauffeur met een feestneus op”.
Erg vriendelijk vond hij dat, maar het hoefde van hem niet meer, waarop hij de hoorn op de haak smeet.
Later heb ik naar aanleiding van zijn stuk een ingezonden brief aan het Rotterdams Nieuwsblad gestuurd. Mijn vrouw dacht dat mijn brief vast flink geschrapt en ingekort zou worden. Maar de krant heeft het stuk in zijn geheel geplaatst. Daarop heb ik later van veel collegae en passagiers positieve reacties gehad.

Tijd voor Rijckehoven - Toen en nu – deel 2

Het is nu al weer 15 jaar geleden, dat ik zelf dagbehandeling aanvroeg. En dat werd toentertijd toegekend. Daarnaast kreeg ik ergotherapie en logopedie.
Verder kreeg ik begeleiding bij aanvragen van eventuele hulpstukken die het leven voor mij zouden veraangenamen.
Zo kwam ik ook terecht bij fysiotherapie. Hier leerde ik mijn lichaam weer te gebruiken zoals het hoorde of zoals het beter voor mij zou zijn. Vooral de groepstherapie vond ik erg fijn om te doen. Omdat er in deze groep veel begrip is en we elkaar goed kunnen steunen.
Het onderdeel logopedie volg ik hier nu al zo’n jaar of tien. Ook in deze groep voel ik me als een vis in het water. We hebben dikke pret bij de opdrachten die we krijgen. Ook wordt hier wel eens een traantje weggepinkt. Soms omdat er iemand van de groep is overleden, of als iemand door ziekte tijdelijk niet mee kan doen in de groep. Ook wel eens wanneer er een gevoelige snaar wordt geraakt. Maar doorgaans overheerst het plezier in het samenzijn en oefenen.

dinsdag 22 maart 2011

Jeugdherinneringen 5: begin van een carrière

Toen ik besloten had om bij de RET te solliciteren, dacht ik toen ik de eerste keer langs de boerderij kwam: “zo kan ik toch nog van mijn vroegere werkplek genieten door er dagelijks naar te kijken”.
Zo heb ik er nog vele duizenden keren op terug kunnen kijken.
Gelukkig staat de boerderij er nu nog steeds, want hij staat op de monumentenlijst. In de omgeving heb ik alles gesloopt zien worden. Ook de twee huizen waar we zelf in gewoond hebben. Dit moest allemaal gebeuren in verband met de Deltawerken, de zogenaamde dijkverzwaring. Het is niet alleen slopen wat er plaatsvond. Ik heb er ook zien bouwen. Onder meer de van Brienenoordbrug. Wanneer ik iemand vertelde, dat ik daar vroeger koeien zat te melken, dan keken de mensen me aan en dachten, die man is gek. Zo moesten we vroeger de twee sporen van het vroegere Maasstation over. Dat was ook levensgevaarlijk. Maar die treinen kon je nog een beetje vertrouwen als je tenminste de vertrektijden goed wist. Die spoorlijnen zijn nu vervangen door de Abraham van Rijckevorselweg. Kun je je voorstellen hoe ik daar met koeien aan een touw en vrachten hooi de oversteek maakte? Door de tijd heen zijn al die boerenbedrijven verdwenen. En aan de IJssel verdwenen vele scheepswerven, waar ik bussen vol personeel voor vervoerde.

Jeugdherinneringen, toen en nu!

Zoals mijn eigen broers en zussen nog wel weten, moest je vroeger als je niet wist wat je worden wilde, volgens onze Pa, maar timmerman worden. Daar is een gebrek aan zei hij altijd. En hij had gelijk, want heel Rotterdam moest weer opgebouwd worden en dat moest door onze generatie gedaan worden. Maar een timmerman zoals ik daar hadden ze niks aan, want alles wat ik maakte werd scheef. Ik dacht daar een oplossing voor gevonden te hebben, maar toen werd alles weer scheef de andere kant op. Vandaar dat ik besloot een ander beroep te kiezen. Het werd boerenknecht en dat heeft ook nu nog steeds mijn bekoring. Alleen viel daar te weinig te verdienen. Dus na een poosje hield ik het voor gezien en werd ik buschauffeur. Bij de RET heb ik het enorm naar mijn zin gehad.
Als ik niet afgekeurd was, dan deed ik het nu nog. Maar die rotziekte heeft ongevraagd roet in het eten gegooid. Zo maakte ik allemaal plannen voor als ik met pensioen zou gaan, maar al die gouden bergen, zijn in molshopen veranderd.
Want de mens wikt maar God beschikt, en neem maar van mij aan:
Je hebt meer spijt van de dingen die je niet gedaan hebt, dan van de dingen die je wel gedaan hebt.
Ooit nog een oud gezegde geleerd van Tante Nel, die zei :
“Als het niet gaat zoals het moet, dan moet het maar zoals het gaat”.
Deze laatste heeft me lang op de been gehouden, maar nu ben ik op een punt gekomen, dat ik vaker zeg: “voor mij hoeft het niet meer”.

Hhiljjjjj mbbhtiouio mmmmmmmmmmmm vbvvvvvvvvbb

Help, daar deed het typeapparaat weer even niet wat ik wilde.
Komen er twee broeders binnen, die zullen wel blij zijn met mijn nieuwe hobby, want ik heb ze nogal eens nodig. En die gasten schijnen nog overal verstand van te hebben ook. Of het nu om een rolstoel met een hoop elektronica gaat of een typemachine uit het jaar 0, zij fiksen het.

donderdag 10 maart 2011

Jeugdherinneringen 4: Op vrijersvoeten

Toen ik net 18 jaar was, werkte ik als boerenknecht bij een boer.
Jullie zullen wel begrepen hebben dat die koeien geen 21 maanden konden wachten en hun melk op konden houden, voor ik weer uit militaire dienst terug kwam. Dus mijn plekkie op de boerderij waar ik werkte, was ingenomen door een ander. Die kon natuurlijk niet gelijk aan de kant gezet worden. Toen ben ik dat seizoen op een andere boerderij aan het werk gegaan. Dit was een gemengd bedrijf (half vee en half landbouw). Daar moest ik keihard werken. Toen besloot ik om te switchen, ik werd toen chauffeur op een zandkiepwagen. Ik begon bij een boer die ook een transportbedrijfje had. Daar kreeg ik een oude legertruc, waar ze een keepbak op hadden gezet. Deze wagen was van het merk Dodge.
Op de eerste boerderij waar ik werkte, daar heb ik mijn Sjaantje leren kennen. Zij was bevriend met de twee dochters van de boer. Ik dacht aanvankelijk dat zij een beetje te jong voor mij was. Maar toen ik mijn baas eens hoorde zeggen dat Sjaan Verbaas al 18 was, vond ik dat zij een respectabele leeftijd had bereikt om verkering te kunnen krijgen. Toen heb ik er geen gras over laten groeien, de stoute schoenen aangetrokken en haar mee gevraagd naar de bioscoop.
De film die wij toen zagen heette Bleke Bet, het was voor die tijd een romantische film. Het verhaal speelde zich af in de Jordaan.
De volgende dag was die snotneus jarig. Sjaantje werd toen 19 jaar. Ik heb haar een dozijn zakdoekjes kado gegeven met een zoentje op haar wang! Zo is onze verkeringstijd begonnen.
Aangezien ik regelmatig in de petoet zat (ik zat namelijk in militaire dienst en was de braafste ook daar niet), zagen wij elkaar sporadisch. Na 21 maanden zat mijn diensttijd erop. Pas toen kregen Sjaantje en ik meer tijd voor elkaar in de weekends.
Doordeweeks reed ik met vrachten zand en straattegels op de keepwagen voor de Gemeente Rotterdam. Zo heb ik in die tijd denk ik zo’n beetje iedere straattegel van Overschie door mijn handen gehad. En zo was Sjaantje in de Bijenkorf als verkoopster aan het werk. In de weekends spraken wij met elkaar af. Zo gingen wij samen hier en daar op visite bij vrienden en familie.
toentertijd trokken wij vooral veel op met Heiltje en Cees. Ook waren we regelmatig aan het oppassen bij Jan van Buren op zijn hele kinderschaar.
Na verloop van tijd zijn wij in ondertrouw gegaan (navraag bij Sjaantje leverde de datum 22 oktober 1954 op). Sjaantje wilde dat persé aan het strand van Scheveningen vieren. Ik kan me nog heel goed herinneren dat het die dag stormde en pijpenstelen regende.
Door de nattigheid en kou kregen we de ringen moeizaam aan elkaars vinger geschoven. Onze verlovingstijd duurde zo ongeveer een half jaar. Want op 17 augustus 1955 zijn wij in de Maaskerk aan de Schaardijk in het huwelijk getreden. Wij gingen wonen bij mijn schoonouders aan de Schaardijk 128.

Kledingcontrole (RET)

Toen ik weer eens op het kledingbureau verscheen om kleding te halen, zei de man die me daar te woord stond : “Uw pet… waar is uw pet gebleven?”
Ik vertelde hem dat ik met lijn 1 mee gekomen was en dat mijn pet van mijn hoofd waaide en onder de tram terecht gekomen was. En dat de kleermaker er helaas niets meer van kon maken. Vervolgens vroeg hij : “En het embleem? Waar is dat gebleven?” Dat was in 6 stukken , antwoordde ik, en de zilversmit kon daar niets meer van maken.
Ogenblikkelijk werd er een prent in drievoud uitgeschreven. Eén voor de directie, één voor het kledingbureau en één voor de wethouder. Wie schetst mijn verbazing... na enige tijd ontving ik een aangetekende brief van de wethouder. In deze brief werd mij  verzocht fl. 2,50 bij te dragen voor de schade die het bedrijf geleden had.

zaterdag 26 februari 2011

Jeugherinneringen 3: de oorlog

Zoals gezegd we handelden in alles waar maar belangstelling voor was.
Zo ook in aardappelen, groente en fruit. ’s Morgens vroeg op pad met de handwagen naar de Vriendenlaan. Daar kon je alles kopen wat je maar hebben wilde, als je in ruil maar geld of iets anders interessants meebracht. Ik had toen een hond die altijd bij me was. Als er ook maar iemand anders die kar aanraakte, werd hij meteen wakker. Hij vloog dan overeind en keek wie er achter liep. Als het een vreemde was dan ging hij tekeer, als ik het was dan was het gelijk goed. Soms liet die hond merken dat hij moe was, en dan liet ik de voorkant van de kar een beetje zakken, zodat hij erop kon springen. Hij zocht een lekker plekkie op en ging een poosje dutten.
 
Wij woonden met zijn elven in een klein huisje. Als iedereen thuis was, was het iedere avond passen en meten om voor iedereen een plekje voor de nacht te regelen. Mijn moeder heeft toen meerdere malen gezegd, dat zij een 5-jaren plan had waarin stond dat wij allemaal binnen die tijd de deur uit moesten zijn. Maar zij had buiten de waard gerekend, want de volgende generatie diende zich al aan. Voor zover ik weet, zijn er nog twee van deze nieuwe generatie bij gekomen, toen werd het stil.

We hadden toen een avondklok, dat wil zeggen: ’s avonds na een bepaalde tijd (ik vermoed half 8, maar weet het niet meer precies) mocht niemand meer op straat. En juist als het donker begon te worden, begon ons werk pas echt. Palen die dezelfde dag in de grond gezet werden, haalden wij er achter elkaar weer uit. Het gebeurde regelmatig dat ons daarbij de kogels om onze oren vlogen. Soms bliezen we zo’n klus ook wel eens af vanwege te veel gevaar.

Andere dingen, zoals het slachten van een varken deden wij ook.
Zo zie ik mijn oudste zus nog lopen, achter een kinderwagen met een varken erin, wat zojuist aan een “wiegendood” was overleden.

overhemden en petten (RET)

Ik herinner me als de dag van gisteren, als op de Coolsingel de mussen dood van het dak vielen van de hitte, dan mochten wij het bovenste knoopje van ons overhemd los.
Wij hadden toentertijd nog geen dienstoverhemden. We moesten onze uniformjasjes gesloten houden. Terwijl je bovendien je pet verplicht op moest houden.
Er was een chef, die mij daarvoor herhaaldelijk gewaarschuwd had.
Hij zei op een keer : “Die band in die pet is kapot, daarvan krijg je pijn in je hoofd.”
Waarop ik antwoordde : “Ben je gek… ik krijg er hooguit pijn onder mijn arm van,  want zo draag ik meestal mijn pet!”

vrijdag 18 februari 2011

Drie is te veel! (RET)

Op een middag hadden wij een late dienst in de garage rond
16.00 uur aan Sluisjesdijk.
En vroeger was het zo, dat er maar 2 chauffeurs in uniform als passagier mee mochten. Wij stonden daar wel met zijn tienen.
Dus slechts 8 te veel.
Een RET-chef die goed kon tellen  zei : “Ik tel hier zoal 8 overtredingen.”
“Hoezo baas ?” vroeg een van ons, “daar hebben we niet aan gedacht.” Vervolgens trokken wij aan de noodrem en stapten met zijn achten uit. We gingen verder lopen en kwamen toen te laat in de garage aan. Waarop de dienstdoende chef vroeg : “Waar komen jullie zo laat vandaan?”
Wij antwoordde in koor : “Wij zijn uit de tram gezet!”
De chef vroeg : “Welke imbeciel heeft dat gedaan?”
Wij zeiden : “Wij weten niet hoe hij heet.”
De andere dag was die regel ingetrokken en mochten er voortaan
een onbeperkt aantal chauffeurs in uniform opstappen en meerijden in trams en bussen.

jeugdherinneringen 2: de oorlog

Dat ik nogal ondeugend was, is niet van gisteren. Volgens mijn vader begon dat al in de wieg. Hij (jullie Opa dus) vertelde dat ik de zuigfles op de rand van de wieg kapot sloeg. Dit werd toentertijd opgelost door gebruik te maken van een lege bierfles gevuld met melk, die waren namelijk niet kapot te krijgen.
Toen ik nog een kleuter was, brak de oorlog uit. Ik weet nog dat mijn zus toen ze begon te praten alleen maar “Russisch”sprak. Ik was de enige die haar kon verstaan. Zodoende moest ik altijd met haar mee als tolk. Zeker als we met Ome Chris (op de eerder genoemde supersonische broodwagon) op pad gingen. Jammer genoeg eindigden die tripjes toen de oorlog echt op gang kwam.

Het eerste wat ik me van de oorlog kan herinneren is, dat ik op een avond vroeg naar bed was gegaan, omdat ik ziek was. ’s Avonds laat (mijn ouders waren nog op) werd ik wakker en stond ik op. Mijn moeder vroeg mij wat ik kwam doen. Ik kreeg wat te drinken en moest weer terug naar mijn bed. Maar gelijk werd er boven ons hoofd een bommenluik geopend en met een akelig rotgeluid kwam er een bom naar beneden zeilen. Dat is nou oorlog zei mijn vader. Zo was de eerste bom in Schiebroek gevallen en zo kwam ik te weten wat oorlog is. Mijn vader vertelde mij later dat de Moffen Rotterdam hadden platgegooid. Schiebroek-Rotterdam is maar een klein stukje, maar wij mochten er niet gaan kijken. Mijn vader ging wel, hij werd gelijk tewerkgesteld om aldaar puin te ruimen. Toen hij op een groepje kinderen stuitte, is hij er weggegaan. Dit kon hij niet aanzien.

De oorlog werd steeds heviger. En waar maar handel in zat, of wat eetbaar was en wat maar brandbaar was, was welkom.
Geiten, schapen en koeien werden opgekocht en geslacht. Ik herinner me nog een koe, daar had ik op een dag een alternatieve route voor uitgezet. Maar ik maakte daarbij een kapitale fout. Ik had deze route niet door de ogen van de koe bekeken. Zo moest ik de koe over een dammetje zien te krijgen. Dit mislukte, de koe vond het te gammel en ging er vandoor. Hij sleepte me mee, ik moest hem dus wel loslaten. Later vond ik hem terug bij een politieagent in de tuin. Gelukkig had deze man ook last van honger, zodat ik kon regelen dat ik de koe mee naar huis mocht nemen. De volgende dag vervolgde ik met de koe onze reis naar Berkel alwaar de koe geslacht zou gaan worden. De deal was natuurlijk dat de agent ook een deel van het vlees zou krijgen.

De laatste koe die wij bewerkten, dat werd de grootste strop. Op de plek waar we bezig waren, werd de koe, toen we bijna klaar waren in beslag genomen. Alleen de kop moest nog uitgevild worden, en de hele koe in delen zagen, zouden we de volgende dag doen. Zo stonden we op het punt om naar huis te gaan en juist toen de deur open ging hoorden wij een stem luid zeggen: “Heren, laat u de messen maar vallen”. Tegen mijn vader zei hij: “U, bent hier de baas, zo te zien”.
Waarop mijn vader antwoordde: “Het lijkt er meer op dat u hier de baas bent”. Na een tijdje kwam er een overvalwagen en toen kwam de hoofdman erbij. Hij gaf ons de opdracht de koe in te laden. Maar mijn vader weigerde de koe nog verder aan te raken.
Dus twee agenten pakten de koeienkop bij de hoorns en het touw waaraan die vast had gestaan, en sleepten het mee over de grond.
Mijn vader nam een sprong en landde precies op het touw, zodat er twee agenten met een koeienkop over de grond rolden. Dat was nog even lachen ook. Nadat de koe ingeladen was, kwamen wij aan de beurt. Toen we langs de Villeneuvestraat reden, riep mijn vader: “Ho chauffeur, mijn zoon moet even aan moeder de vrouw zeggen, dat ik iets later thuis kom”. De chauffeur zei: “Daar wordt voor gezorgd”.
In ieder geval kreeg ik in de overvalwagen vier portemonnees in mijn zak geschoven, want ik was te jong om gearresteerd te worden. Zo doende ging ik vrij uit en was dezelfde avond weer thuis.
Dat was de enige keer dat mijn vader geen commentaar had dat ik met de politie in aanraking was gekomen. Alle andere keren dat ik op de politiepost zat, en mijn vader gebeld werd met de opdracht dat hij mij kon komen afhalen, zei hij steevast: “Jullie hebben hem zelf meegenomen, dan breng je hem maar zelf terug ook”.

zondag 6 februari 2011

Te koop : Koffiepot met toebehoren (RET)


Naar aanleiding van een krantenbericht in een gerenommeerd dagblad, las ik toentertijd in de krant een bericht  over de RET, dat de zomerdienst teruggedraaid moest worden  in verband met tekort aan rijtijd. Dit gold niet voor lijn 34, die kreeg namelijk de 3e verlenging zonder
aanpassing van de rijtijd.

Aangekomen in het dienstlokaal, kreeg ik daar zo de pest over in, dat ik de koffiepot met toebehoren te koop aanbood wegens gebrek aan standpunt.
Deze advertentie bood ik ter plaatsing aan bij de redactie van “Rond de RET”.
Nadat de redactie deze aanbieding geplaatst had, kwam er onder dit bericht de vraag te staan, welke chauffeur dit bericht geplaatst had.
Later werd ik thuis gebeld door de chauffeur die het bericht had weggebracht. Hij vroeg mij, “Cor, welke naam mag er bij dit bericht geplaatst worden?” Waarop ik zei : “Zet mijn naam er maar onder.” Hij zei vervolgens : “Ik heb een beter idee, we zetten de naam van onze groepschef eronder.” Zo gezegd… zo gedaan.
Na ongeveer een maand (de nieuwe editie Rond de RET was net verschenen, met daarin het volledige bericht met ondertekening) werden mijn collega en ik uitgenodigd voor een soort tribunaal. De voorzitter van die club vroeg mij : “Is dit een werkstuk van uw hand?”
Mijn antwoord was dat het gedeeltelijk van mij was. Hij wilde daarop weten, wie de rest verzonnen had. Ik wist dat natuurlijk werkelijk niet (!)
Die ander meldde zich spontaan. We gingen beiden na afloop van deze speciale vergadering
met een flinke prent op zak, welke op onze staat van dienst werd aangetekend.

Pas in dienst (RET)


Ergens in een grijs verleden, kreeg ik een brief met de opdracht alle uniformstukken, kaarten en geld mee te nemen en me aan de Isaac Hubertsstraat voor controle te melden. Op een der onderstaande data, mocht het mij niet uitkomen, kon ik altijd bellen om een nieuwe afspraak te maken.
Toen ik het kantoor belde om de afspraak definitief te maken, zei ik tegen de persoon aan de andere kant van de lijn : “Ik kom a.s. zondagochtend om 10.00 uur.” Het werd even stil aan de andere kant. Dat zou niet gaan, was de reactie, want dan waren zij (van kantoor) vrij.
Ik zei : “Nou ja, op de dagen die jullie voorgesteld hebben, ben ik vrij.”
Toen ik later eens op het kledingbureau moest zijn, zei de dienstdoende chef : “Volgende maand krijg je een nieuwe uitnodiging.”
Waarop mijn antwoord was : “Ik waarschuw je wel als ik er genoeg heb om mijn kamer mee te behangen.”
Zo had iedere chef zijn eigen specialiteit. Er was er ook een die was gespecialiseerd in het vaststellen of je wel vanuit de 1e versnelling van de vaste halte vertrok. Hij stond dat te observeren van achter een boom in de buurt van die vaste halte.

Jeugdherinneringen – deel 1


Mijn oudste dochter heeft mij gevraagd om wat verhalen uit mijn jeugd uit te werken. Ik heb beloofd dat ik het zal proberen.

Ik ben als tweede zoon in de Villeneuvestraat 6 te Schiebroek geboren. Na mij kwamen er nog 7 bij. Mijn tantes staken er wel eens de gek mee, dat mijn moeder drie keer aan de leg is geweest.
Uit de 1e leg kwamen Jan, Wil en ik. Toen kwam Thijs of was het Irma, ik weet het niet precies meer, het kan ook andersom zijn en daarna gok ik op Yvonne en dan komt Renee om het hoekje kijken. Dat was het einde van de 2e leg. De laatste (3e leg) bestaat uit Edith met als hekkensluiter Benjamin Rudolf.
We hebben een akelige tijd meegemaakt, omdat wij al op jonge leeftijd in de oorlog terechtkwamen. Daar begint mijn herinnering ook wel zo’n beetje.  Wij hadden toen in het gezin allemaal een taak van groot tot klein. Het was wel zo, dat er veel meer op de schouders van de oudsten terecht kwam. Nu ik dit zo zit te typen schiet opeens ome Cris in mijn gedachten. Deze oom was zo’n beetje de Willie Wortel van de familie. Als er iets uitgevonden moest worden, kwamen we altijd bij Oom Cris terecht. Hij was bakker van beroep. Op zondag werkte hij niet. Op zaterdag werd zijn super de luxe broodwagon (waar hij doordeweeks zijn uitgebreide klantenkring mee bediende) omgebouwd tot super de luxe tourrijtuig. Dat ging als volgt: de bak van de broodwagon werd eraf gehaald en dan werd daar een supersonische space cap over heen gezet. En zo stond oom Cris  ‘s zondags klaar voor de lange tourreis naar Scheveningen. Ook hij behoorde tot de arme tak van de familie en hij trok veel met zijn broer (mijn vader) op. Vandaar dat wij het voorrecht hadden om ook op deze ritjes mee te reizen. Het voertuig werd aerodynamisch uitgebreid met twee hulpmotoren. Het maakte het voertuig loodzwaar. Twee fietsen werden ingespannen met lange touwen en daarop zaten dan weer 2 kinderen (1 voorop en 1 achter op). Ik ruik het zweet van ome Cris nog steeds. Ooit werden we aangehouden door de politie, want die vond dat er richtingaanwijzers aan het voertuig ontbraken. Ook daar bedacht ome Cris een oplossing voor. Ze vielen alleen een beetje groot uit. Je moest binnen aan een touwtje trekken, terwijl je tegelijkertijd goed uit moest kijken of er geen fietser in de buurt was, anders kreeg hij daardoor een gigantische draai om zijn oren.

Vaste halte (RET)


Het lijkt eeuwen geleden, dat wij helemaal overgeleverd waren aan het ambtenarenreglement. Toen chauffeurs die keurige jongens waren, werden aangesteld als chef.
En net als bij de politie, moesten zij zogenaamde prenten uitdelen. Om zich bij de vroegere collega’s te bewijzen, gaven zij die prenten aan jonge, net beginnende chauffeurtjes.
Op een dag zat voor mij een chauffeur, die al jaren dienst deed. En al stonden er wel honderd mensen bij de halte, als die geen hand opstaken, dan reed hij gewoon door.
En als hij begon te fluiten, dan trapte hij het gaspedaal flink in en zat je zo in Rotterdam.
De eerste halte was het al raak. De bus reed door en liet alle passagiers, die geen stopteken hadden gegeven, staan. Mijn bus stroomde daardoor flink vol. De tweede halte stonden er nog veel meer. Dit waren allemaal heren met een kaartje met een “P” erop (rechercheurs).
Een van hen vroeg aan mij : “Chauffeur, is dit een vaste halte?” Ik zei tegen hem : “Ik kijk het even voor u na”. Nadat ik eerst alle passagiers geholpen had, stapte ik uit de autobus en voelde buiten aan de halte. En ik zei : “Jawel, hartstikke vast, mijnheer!” Dit leidde tot grote hilariteit in de bus. Natuurlijk was deze mijnheer niet tevreden met mijn antwoord. Het gevolg was dat deze man een klacht indiende en ik vervolgens een prent ontving.



zondag 23 januari 2011

Cor in 2010

De onderstaande foto is genomen op de viering van zijn 55-jarige bruiloft in augustus 2010.


zondag 2 januari 2011

Welkom!

Welkom op de weblog van Cor Hoogland (ook wel bekend als Kees, Kok of Cornelis).
De inhoud is geschreven door Cor, met hulp van zijn dochter Jos (Jorien).
En de berichten worden on line gezet door zijn zoon Jan, die ook dit stukje heeft geschreven.