zaterdag 30 juli 2011

“Piet Grote Stap” (RET)

Er was eens een chef, hoe hij heette dat ben ik vergeten!

In ieder geval liep hij altijd met hele grote stappen met zijn zeven mijlslaarzen.

Op een dag had hij een chagrijnige bui, want hij vond dat er veel te vaak over de CP werd gevraagd “hoe laat is het?”

We moesten van hem allemaal maar eens ons horloge gelijk zetten, want hij was niet meer van plan om continu aan iedereen de juiste tijd door te geven.

Prompt vroeg er iemand: “CP, nu sta ik al een half uur voor de spoorbomen en ze gaan maar niet open.” Waarop hij vroeg: “Waar staat u dan?” “Bij het Kralingse Bos,” was het antwoord.

“Hoe kan dat nou, daar rijdt helemaal geen trein!” zei de chef prikkelbaar. “O, nou dan ga ik maar weer verder” zei de chauffeur onnozel.

Dezelfde chef kwam op een dag bij mij thuis langs en vroeg of ik met hem mee ging naar de CP.

Ik vroeg hem wat ik daar zou moeten doen. Hij vertelde dat ik dat daar wel te horen zou krijgen.

Ik vroeg hem of het om een klacht ging. Hij stelde dat je dat zo wel zou kunnen noemen. Waarop ik doorvroeg of dat in diensttijd gebeurd was. Toen hij dat bevestigde, zei ik hem dat hij dan ook maar in diensttijd daarop terug moest komen. Ik zei tegen hem

“morgen om 16.00 uur ben ik te spreken in het dienstlokaal.”

Vervolgens deed ik de deur voor zijn neus dicht. En zo vertrok hij met grote stappen onverrichterzake naar de Kleyweg terug.

Joyrijden (RET)

Op een avond bracht ik een wasmachine naar een vriendin toe in de Pluvierstraat. Daar stond een autobus van lijn 34 geparkeerd.

Ik stapte die bus in en startte met behulp van een spijker.

Zo reed ik, in mijn overall en op klompen, de bus naar het beginpunt.

Daar aangekomen stapte de eerste passagier in en meteen reed ik terug richting Pluvierstraat. De eigenlijke chauffeur, was al op weg naar zijn bus, zodat hij precies om half 8 aan het beginpunt zou zijn.

Hij schrok zich het “leplazerus” toen hij zag dat zijn bus verdwenen was. Hij wilde het gelijk op een draven zetten richting beginpunt.

Plotseling dook er nog een collega (buiten diensttijd) op, waartegen hij al stotterend verklaarde dat zijn bus kwijt was. Waarop hij het antwoord kreeg, dat die ander een bus met een chef erin voorbij had zien komen.

Bij mij in de bus vroeg mijn passagier: “Cor, er was hier toch net nog een andere bus, dat klopt toch niet?” Ik zei: “Die bus komt zo terug.”

Tegelijkertijd zie ik hem in mijn spiegel aankomen. Dat was een leswagen. De instructeur vroeg mij: “Waar ben jij naar toe geweest?”

Zeker thuis koffie wezen drinken?” “Dat doen we niet meer!”

“Ach, man, als we nog eens zo’n zelfde dienst, op dezelfde tijd hebben, dan krijg jij ook een bakkie koffie”, beloofde ik hem.

Deze spontane actie was tevens mijn eerste kennismaking met de allereerste vrouwelijke buschauffeur.

Na verloop van tijd kwam ik terug op de plek, waar ik de bus vandaan had gepikt. De diensdoende chauffeur was opgelucht dat hij mij aan zag komen. Lachend verwisselden wij van plaats, zodat hij zijn dienst kon vervolgen.


zondag 24 juli 2011

De meest “rug-vriendelijke” chauffeursstoel (RET)

Nu gaan we wel even heel ver terug in de tijd. We reden  nog met van die oude Saurers (Zwitserse autobussen). Je had een straattegel nodig om onder je kussen te leggen, voordat je stoelzitting op de goede hoogte zat. Op een dag kwam de bedrijfsarts (die ik al eens eerder geadviseerd had om zich tot fietsenmaker om te laten scholen) samen met een ingenieur een stoel ontwerpen, die voor de gemiddelde chauffeur bruikbaar zou moeten zijn.

Nadat de stoelen in onderdelen vanuit Zwitserland naar Utrecht aangekomen waren, vroegen beide heren zich af waar zij de chauffeursplek het beste konden plaatsen. Er werd een plekje voorin

gecreëerd, want achterin was een beetje al te gek.

Als je grote voeten had, moest je enorm nadenken voordat je begon te remmen. Eerst voorzorgsmaatregelen treffen. Je voeten in een bepaalde stand manoevreren om de rem goed te kunnen bedienen, zonder dat je klem kwam te zitten tegen het voorfront.

De kachel die de voorruit moest verwarmen, daar hadden ze bij de RET nog nooit van gehoord. Om de voorruit ontdooid de houden, hadden zij het volgende bedacht. We moesten de voorruit met een flinke laag glycerine insmeren. Dat werd vervolgens een gigantische vette klerezooi. Mede door een 2e uitlaat (soort van verwarming), die door de hele bus van achter naar voren heen werd geleid . Deze afvoer kwam namelijk achter de chauffeur omhoog.

Zelf had ik een betere oplossing bedacht. Ik had namelijk op de sloop een electrisch kacheltje op de kop getikt en dit had ik in mijn eigen Ford Taunus geïnstalleerd. Ja, voor mezelf had ik mijn zaakjes goed op orde. Jammer genoeg was het in de bus ’s winters flink afzien.

Waterballet (RET)

Tijdens een laatste rit van mijn dienst op lijn 34 naar Capelle a/d IJssel, was er op de hoek van de Slotlaan/Rembrandtsingel een waterleiding gesprongen. In de voortuin van de huisarts aldaar en op de weg, ontstond een enorme waterpartij. Dit nodigde mij uit om er met een rotgang doorheen te rijden. De autobus was even voor een paar meter net een duikboot. Het water spoot meters hoog naar beide kanten. Wat ik echter over het hoofd gezien had, was dat daar achter de heg een man aan het werk was van de DWL. Door de ontstane vloedgolf werd deze ijverige arbeider bijna verzopen.

Aan het eindpunt werd ik afgelost door een collega, die drie huizen verder woonde dan ik, en aangezien wij alle twee bijna aan het eindpunt woonden, wisselden wij daar alvast van plek in plaats van aan Dijkzigt zoals het eigenlijk hoorde. Wij vonden namelijk beiden dat twee “kapiteins op een schip” niet echt nodig waren.

Mijn aflosser rijdt dus weg en wist van dat hele waterballet niets af.

Even later werd hij aangehouden door de man die er wel degelijk van af wist. Hij stond met een emmer water klaar en na een flinke scheldpartij over en weer kieperde hij zijn emmer water door het raam naar binnen. Bijna in het gezicht van die onschuldige chauffeur.

dinsdag 19 juli 2011

De Geit (RET)

Ik had eens trammelant met een CBA. Hij had gelijk, maar ik wilde het niet toegeven. Ik dacht ik kom jou nog wel eens tegen, en ja hoor, diezelfde dag nog zag ik hem zitten op een bankje in de Alexander Polder met twee collega’s. Ik toeterde en wenkte naar hen en zij kwamen naar mij toe gelopen. Ik zei: “Wat ik nou toch meegemaakt heb, dat zal je niet geloven.” Hij vroeg: “Wat heb jij nou weer meegemaakt?”

Ik vertelde hem dat er bij de halte Rustwat een man met een geit stond. Toen ik de deur opende sprong de geit naar binnen en rende naar de achterbank. Verbaasd vroeg ik die man wat hij ging doen.

Waarop hij antwoordde dat hij naar Capelle ging en dat hij iedere dag met zijn geit zo reisde. Ik zag dat helemaal niet zitten en vertelde hem dat ik hartstikke bang was voor geiten. Dus heb ik die man met zijn geit weggestuurd.

Maar ja, nou zit ik er een beetje mee, wat vinden jullie, vroeg ik aan die CBA’s, moet ik die geit de volgende keer nou meenemen of niet?

De goochemste van de drie stelde voor dat ik dat via de CP maar moest navragen. Maar aangezien iedereen mijn stem gelijk zou herkennen, wilde ik het zelf niet doen. Dus liet ik het een van hen doen. En ja hoor… even later klinkt het verhaal door de ether.

Ik deed het ondertussen zo wat in mijn broek van het lachen.

Het werd stil aan de andere kant van de CP. Toen klonk het nee van een CBA, de geit mag niet mee, omdat dat werk is voor een veewagen. Een poosje later werd ik opgeroepen door de CP met de vraag :

“Cor, dat was zeker bij jou met die geit?” Ik antwoordde: “Ik zal het nooit meer doen!”

Een hele grote koppel zwanen (RET)

Op een dag liep ik met mijn bus vast in een file van zwanen. Vader zwaan stond voor de troep en deed voor aan zijn kinderen hoe zij veer voor veer de boel glad moesten strijken. Ze hadden allemaal maling aan het verkeer rond om hen heen.

Een oudere dame was bezig om die beesten het water in te jagen. Maar toen vader zwaan lelijk naar haar keek en begon te blazen, ging het dametje op de loop. Ik keek het een poosje aan en besloot om haar te helpen. Ik liep erop af en zei tegen haar: “Kijk, dat moet je zo doen.” Ik stak mijn duim in vader zwaan zijn snavel en legde mijn arm over zijn lijf en ik tilde hem gelijk op en gooide hem in de singel. Alle andere zwanen volgden uit zich zelf.

Ik stapte weer mijn bus in en alle aanwezige passagiers begonnen te klappen. Tegelijkertijd kwamen de verhalen los. Ze vroegen mij hoe ik dat durfde. Ik vertelde mijn klanten, dat het enige wapen van zwanen

is dat zij kapsones hebben. Zij hebben geeneens tanden, dus bijten gaat al niet. Verder hebben ze een dot veren en als je die eruit trekt, houd je een spreeuw over. Wat kan die mij nou maken?

vrijdag 8 juli 2011

De boerderij (RET)

Komende van Rotterdam (lijn 34) kwam je langs de Transvaalbuurt in Kralingseveer, waar ik toen woonde. Het bestaat nu al lang niet meer. Tegenwoordig vind je daar een bedrijventerrein. Alleen enkele oudere mensen weten nog hoe dat daar vroeger was.

Zo reed ik toentertijd dus iedere rit langs mijn huis. Het thuisfront bracht dan verse koffie en brood bij mij op de bus. Want onze baas had toen nog geen koffie-automaat aan de begin- en eindhaltes. Die luxe kwam pas veel later.

Het gebeurde ook nogal eens dat ik ’s morgens bij mijn 1e rit even thuis aanwipte om de kachel aan te steken en een grote ketel water op de kachel te zetten. Dan was het heerlijk warm als mijn vrouw en kindertjes beneden kwamen.

Op een dag had ik een passagier, ik vroeg de man of hij haast had. Dat had hij niet en ik vroeg of hij even op mijn bus wilde passen.

Ook dat was okay. Zo kon ik even thuis die kachel en ketel doen.

Dat kon vroeger allemaal. En weet je… eigenlijk was de hele dijk vroeger een aaneengesloten vaste halte.

Op een dag stapte er iemand in die moest ergens op de Nesserdijk zijn, maar hij wist niet bij welk nummer. Ik zei: “Zeg de naam maar, dan geef ik je het nummer.” Hij moest bij Groeneveld zijn en ik kon hem vertellen dat hij op nummer 368 moest zijn. Die passagier vroeg of ik dat van alle bewoners wist. Maar ik had alleen maar geluk dat hij juist op dit adres moest zijn, want hier had ik ooit zelf gewoond.

Het konijn (RET)

Op een zondagmorgen was ik onderweg naar de garage voor een dienst op lijn 45. Ik reed op de Kralingse Plaslaan in de richting van de Kleiweg. Daar lag een konijn op het fietspad in onbeschadigde toestand. Ik stopte om hem op te pakken en bond hem onder de snelbinders van mijn bromfiets. Volgens mij had hij het prima naar zijn zin zo achterop, want hij knikte naar iedereen.

Ik hoorde een brommer naderen die veel harder kon dan ik. Opeens nam hij gas terug en bleef hij een tijd achter me rijden. Na een poosje haalde hij me in. Hij bleef steeds achterom kijken en miste op een haar na een lantaarnpaal.

Inmiddels was ik bij de garage aangekomen. Daar ging ik op zoek naar een stukje touw. Dat vond ik en bond ik om de nek van het konijn.

Zo sleepte ik het dier achter me aan. Een uitrukkende collega trapte op zijn rempedaal en vroeg mij: “Cor, wat ben jij nou aan het doen?”

“Ik ben mijn konijn aan het uitlaten.”

Vervolgens ging ik kijken welke autobus er op lijn 45 zou gaan rijden.

In die bus heb ik het konijn boven het stuur opgehangen. Als ik goed gekeken had, dan had degene waar ik deze grap bij uit had willen halen dienst. Die zou er namelijk nooit mee uitgerukt zijn zonder dat de reinigings- en ontsmettingsdienst eraan te pas zou zijn gekomen.

Het liep echter anders… een andere boerenjongen die het konijn zag, zei: “Verdomme, is die rot Cor Hoogland weer bezig!” En hij hing het beest op aan de spiegel in een andere autobus. Daarna zijn we het konijn uit het oog verloren.