zaterdag 26 februari 2011

Jeugherinneringen 3: de oorlog

Zoals gezegd we handelden in alles waar maar belangstelling voor was.
Zo ook in aardappelen, groente en fruit. ’s Morgens vroeg op pad met de handwagen naar de Vriendenlaan. Daar kon je alles kopen wat je maar hebben wilde, als je in ruil maar geld of iets anders interessants meebracht. Ik had toen een hond die altijd bij me was. Als er ook maar iemand anders die kar aanraakte, werd hij meteen wakker. Hij vloog dan overeind en keek wie er achter liep. Als het een vreemde was dan ging hij tekeer, als ik het was dan was het gelijk goed. Soms liet die hond merken dat hij moe was, en dan liet ik de voorkant van de kar een beetje zakken, zodat hij erop kon springen. Hij zocht een lekker plekkie op en ging een poosje dutten.
 
Wij woonden met zijn elven in een klein huisje. Als iedereen thuis was, was het iedere avond passen en meten om voor iedereen een plekje voor de nacht te regelen. Mijn moeder heeft toen meerdere malen gezegd, dat zij een 5-jaren plan had waarin stond dat wij allemaal binnen die tijd de deur uit moesten zijn. Maar zij had buiten de waard gerekend, want de volgende generatie diende zich al aan. Voor zover ik weet, zijn er nog twee van deze nieuwe generatie bij gekomen, toen werd het stil.

We hadden toen een avondklok, dat wil zeggen: ’s avonds na een bepaalde tijd (ik vermoed half 8, maar weet het niet meer precies) mocht niemand meer op straat. En juist als het donker begon te worden, begon ons werk pas echt. Palen die dezelfde dag in de grond gezet werden, haalden wij er achter elkaar weer uit. Het gebeurde regelmatig dat ons daarbij de kogels om onze oren vlogen. Soms bliezen we zo’n klus ook wel eens af vanwege te veel gevaar.

Andere dingen, zoals het slachten van een varken deden wij ook.
Zo zie ik mijn oudste zus nog lopen, achter een kinderwagen met een varken erin, wat zojuist aan een “wiegendood” was overleden.

overhemden en petten (RET)

Ik herinner me als de dag van gisteren, als op de Coolsingel de mussen dood van het dak vielen van de hitte, dan mochten wij het bovenste knoopje van ons overhemd los.
Wij hadden toentertijd nog geen dienstoverhemden. We moesten onze uniformjasjes gesloten houden. Terwijl je bovendien je pet verplicht op moest houden.
Er was een chef, die mij daarvoor herhaaldelijk gewaarschuwd had.
Hij zei op een keer : “Die band in die pet is kapot, daarvan krijg je pijn in je hoofd.”
Waarop ik antwoordde : “Ben je gek… ik krijg er hooguit pijn onder mijn arm van,  want zo draag ik meestal mijn pet!”

vrijdag 18 februari 2011

Drie is te veel! (RET)

Op een middag hadden wij een late dienst in de garage rond
16.00 uur aan Sluisjesdijk.
En vroeger was het zo, dat er maar 2 chauffeurs in uniform als passagier mee mochten. Wij stonden daar wel met zijn tienen.
Dus slechts 8 te veel.
Een RET-chef die goed kon tellen  zei : “Ik tel hier zoal 8 overtredingen.”
“Hoezo baas ?” vroeg een van ons, “daar hebben we niet aan gedacht.” Vervolgens trokken wij aan de noodrem en stapten met zijn achten uit. We gingen verder lopen en kwamen toen te laat in de garage aan. Waarop de dienstdoende chef vroeg : “Waar komen jullie zo laat vandaan?”
Wij antwoordde in koor : “Wij zijn uit de tram gezet!”
De chef vroeg : “Welke imbeciel heeft dat gedaan?”
Wij zeiden : “Wij weten niet hoe hij heet.”
De andere dag was die regel ingetrokken en mochten er voortaan
een onbeperkt aantal chauffeurs in uniform opstappen en meerijden in trams en bussen.

jeugdherinneringen 2: de oorlog

Dat ik nogal ondeugend was, is niet van gisteren. Volgens mijn vader begon dat al in de wieg. Hij (jullie Opa dus) vertelde dat ik de zuigfles op de rand van de wieg kapot sloeg. Dit werd toentertijd opgelost door gebruik te maken van een lege bierfles gevuld met melk, die waren namelijk niet kapot te krijgen.
Toen ik nog een kleuter was, brak de oorlog uit. Ik weet nog dat mijn zus toen ze begon te praten alleen maar “Russisch”sprak. Ik was de enige die haar kon verstaan. Zodoende moest ik altijd met haar mee als tolk. Zeker als we met Ome Chris (op de eerder genoemde supersonische broodwagon) op pad gingen. Jammer genoeg eindigden die tripjes toen de oorlog echt op gang kwam.

Het eerste wat ik me van de oorlog kan herinneren is, dat ik op een avond vroeg naar bed was gegaan, omdat ik ziek was. ’s Avonds laat (mijn ouders waren nog op) werd ik wakker en stond ik op. Mijn moeder vroeg mij wat ik kwam doen. Ik kreeg wat te drinken en moest weer terug naar mijn bed. Maar gelijk werd er boven ons hoofd een bommenluik geopend en met een akelig rotgeluid kwam er een bom naar beneden zeilen. Dat is nou oorlog zei mijn vader. Zo was de eerste bom in Schiebroek gevallen en zo kwam ik te weten wat oorlog is. Mijn vader vertelde mij later dat de Moffen Rotterdam hadden platgegooid. Schiebroek-Rotterdam is maar een klein stukje, maar wij mochten er niet gaan kijken. Mijn vader ging wel, hij werd gelijk tewerkgesteld om aldaar puin te ruimen. Toen hij op een groepje kinderen stuitte, is hij er weggegaan. Dit kon hij niet aanzien.

De oorlog werd steeds heviger. En waar maar handel in zat, of wat eetbaar was en wat maar brandbaar was, was welkom.
Geiten, schapen en koeien werden opgekocht en geslacht. Ik herinner me nog een koe, daar had ik op een dag een alternatieve route voor uitgezet. Maar ik maakte daarbij een kapitale fout. Ik had deze route niet door de ogen van de koe bekeken. Zo moest ik de koe over een dammetje zien te krijgen. Dit mislukte, de koe vond het te gammel en ging er vandoor. Hij sleepte me mee, ik moest hem dus wel loslaten. Later vond ik hem terug bij een politieagent in de tuin. Gelukkig had deze man ook last van honger, zodat ik kon regelen dat ik de koe mee naar huis mocht nemen. De volgende dag vervolgde ik met de koe onze reis naar Berkel alwaar de koe geslacht zou gaan worden. De deal was natuurlijk dat de agent ook een deel van het vlees zou krijgen.

De laatste koe die wij bewerkten, dat werd de grootste strop. Op de plek waar we bezig waren, werd de koe, toen we bijna klaar waren in beslag genomen. Alleen de kop moest nog uitgevild worden, en de hele koe in delen zagen, zouden we de volgende dag doen. Zo stonden we op het punt om naar huis te gaan en juist toen de deur open ging hoorden wij een stem luid zeggen: “Heren, laat u de messen maar vallen”. Tegen mijn vader zei hij: “U, bent hier de baas, zo te zien”.
Waarop mijn vader antwoordde: “Het lijkt er meer op dat u hier de baas bent”. Na een tijdje kwam er een overvalwagen en toen kwam de hoofdman erbij. Hij gaf ons de opdracht de koe in te laden. Maar mijn vader weigerde de koe nog verder aan te raken.
Dus twee agenten pakten de koeienkop bij de hoorns en het touw waaraan die vast had gestaan, en sleepten het mee over de grond.
Mijn vader nam een sprong en landde precies op het touw, zodat er twee agenten met een koeienkop over de grond rolden. Dat was nog even lachen ook. Nadat de koe ingeladen was, kwamen wij aan de beurt. Toen we langs de Villeneuvestraat reden, riep mijn vader: “Ho chauffeur, mijn zoon moet even aan moeder de vrouw zeggen, dat ik iets later thuis kom”. De chauffeur zei: “Daar wordt voor gezorgd”.
In ieder geval kreeg ik in de overvalwagen vier portemonnees in mijn zak geschoven, want ik was te jong om gearresteerd te worden. Zo doende ging ik vrij uit en was dezelfde avond weer thuis.
Dat was de enige keer dat mijn vader geen commentaar had dat ik met de politie in aanraking was gekomen. Alle andere keren dat ik op de politiepost zat, en mijn vader gebeld werd met de opdracht dat hij mij kon komen afhalen, zei hij steevast: “Jullie hebben hem zelf meegenomen, dan breng je hem maar zelf terug ook”.

zondag 6 februari 2011

Te koop : Koffiepot met toebehoren (RET)


Naar aanleiding van een krantenbericht in een gerenommeerd dagblad, las ik toentertijd in de krant een bericht  over de RET, dat de zomerdienst teruggedraaid moest worden  in verband met tekort aan rijtijd. Dit gold niet voor lijn 34, die kreeg namelijk de 3e verlenging zonder
aanpassing van de rijtijd.

Aangekomen in het dienstlokaal, kreeg ik daar zo de pest over in, dat ik de koffiepot met toebehoren te koop aanbood wegens gebrek aan standpunt.
Deze advertentie bood ik ter plaatsing aan bij de redactie van “Rond de RET”.
Nadat de redactie deze aanbieding geplaatst had, kwam er onder dit bericht de vraag te staan, welke chauffeur dit bericht geplaatst had.
Later werd ik thuis gebeld door de chauffeur die het bericht had weggebracht. Hij vroeg mij, “Cor, welke naam mag er bij dit bericht geplaatst worden?” Waarop ik zei : “Zet mijn naam er maar onder.” Hij zei vervolgens : “Ik heb een beter idee, we zetten de naam van onze groepschef eronder.” Zo gezegd… zo gedaan.
Na ongeveer een maand (de nieuwe editie Rond de RET was net verschenen, met daarin het volledige bericht met ondertekening) werden mijn collega en ik uitgenodigd voor een soort tribunaal. De voorzitter van die club vroeg mij : “Is dit een werkstuk van uw hand?”
Mijn antwoord was dat het gedeeltelijk van mij was. Hij wilde daarop weten, wie de rest verzonnen had. Ik wist dat natuurlijk werkelijk niet (!)
Die ander meldde zich spontaan. We gingen beiden na afloop van deze speciale vergadering
met een flinke prent op zak, welke op onze staat van dienst werd aangetekend.

Pas in dienst (RET)


Ergens in een grijs verleden, kreeg ik een brief met de opdracht alle uniformstukken, kaarten en geld mee te nemen en me aan de Isaac Hubertsstraat voor controle te melden. Op een der onderstaande data, mocht het mij niet uitkomen, kon ik altijd bellen om een nieuwe afspraak te maken.
Toen ik het kantoor belde om de afspraak definitief te maken, zei ik tegen de persoon aan de andere kant van de lijn : “Ik kom a.s. zondagochtend om 10.00 uur.” Het werd even stil aan de andere kant. Dat zou niet gaan, was de reactie, want dan waren zij (van kantoor) vrij.
Ik zei : “Nou ja, op de dagen die jullie voorgesteld hebben, ben ik vrij.”
Toen ik later eens op het kledingbureau moest zijn, zei de dienstdoende chef : “Volgende maand krijg je een nieuwe uitnodiging.”
Waarop mijn antwoord was : “Ik waarschuw je wel als ik er genoeg heb om mijn kamer mee te behangen.”
Zo had iedere chef zijn eigen specialiteit. Er was er ook een die was gespecialiseerd in het vaststellen of je wel vanuit de 1e versnelling van de vaste halte vertrok. Hij stond dat te observeren van achter een boom in de buurt van die vaste halte.

Jeugdherinneringen – deel 1


Mijn oudste dochter heeft mij gevraagd om wat verhalen uit mijn jeugd uit te werken. Ik heb beloofd dat ik het zal proberen.

Ik ben als tweede zoon in de Villeneuvestraat 6 te Schiebroek geboren. Na mij kwamen er nog 7 bij. Mijn tantes staken er wel eens de gek mee, dat mijn moeder drie keer aan de leg is geweest.
Uit de 1e leg kwamen Jan, Wil en ik. Toen kwam Thijs of was het Irma, ik weet het niet precies meer, het kan ook andersom zijn en daarna gok ik op Yvonne en dan komt Renee om het hoekje kijken. Dat was het einde van de 2e leg. De laatste (3e leg) bestaat uit Edith met als hekkensluiter Benjamin Rudolf.
We hebben een akelige tijd meegemaakt, omdat wij al op jonge leeftijd in de oorlog terechtkwamen. Daar begint mijn herinnering ook wel zo’n beetje.  Wij hadden toen in het gezin allemaal een taak van groot tot klein. Het was wel zo, dat er veel meer op de schouders van de oudsten terecht kwam. Nu ik dit zo zit te typen schiet opeens ome Cris in mijn gedachten. Deze oom was zo’n beetje de Willie Wortel van de familie. Als er iets uitgevonden moest worden, kwamen we altijd bij Oom Cris terecht. Hij was bakker van beroep. Op zondag werkte hij niet. Op zaterdag werd zijn super de luxe broodwagon (waar hij doordeweeks zijn uitgebreide klantenkring mee bediende) omgebouwd tot super de luxe tourrijtuig. Dat ging als volgt: de bak van de broodwagon werd eraf gehaald en dan werd daar een supersonische space cap over heen gezet. En zo stond oom Cris  ‘s zondags klaar voor de lange tourreis naar Scheveningen. Ook hij behoorde tot de arme tak van de familie en hij trok veel met zijn broer (mijn vader) op. Vandaar dat wij het voorrecht hadden om ook op deze ritjes mee te reizen. Het voertuig werd aerodynamisch uitgebreid met twee hulpmotoren. Het maakte het voertuig loodzwaar. Twee fietsen werden ingespannen met lange touwen en daarop zaten dan weer 2 kinderen (1 voorop en 1 achter op). Ik ruik het zweet van ome Cris nog steeds. Ooit werden we aangehouden door de politie, want die vond dat er richtingaanwijzers aan het voertuig ontbraken. Ook daar bedacht ome Cris een oplossing voor. Ze vielen alleen een beetje groot uit. Je moest binnen aan een touwtje trekken, terwijl je tegelijkertijd goed uit moest kijken of er geen fietser in de buurt was, anders kreeg hij daardoor een gigantische draai om zijn oren.

Vaste halte (RET)


Het lijkt eeuwen geleden, dat wij helemaal overgeleverd waren aan het ambtenarenreglement. Toen chauffeurs die keurige jongens waren, werden aangesteld als chef.
En net als bij de politie, moesten zij zogenaamde prenten uitdelen. Om zich bij de vroegere collega’s te bewijzen, gaven zij die prenten aan jonge, net beginnende chauffeurtjes.
Op een dag zat voor mij een chauffeur, die al jaren dienst deed. En al stonden er wel honderd mensen bij de halte, als die geen hand opstaken, dan reed hij gewoon door.
En als hij begon te fluiten, dan trapte hij het gaspedaal flink in en zat je zo in Rotterdam.
De eerste halte was het al raak. De bus reed door en liet alle passagiers, die geen stopteken hadden gegeven, staan. Mijn bus stroomde daardoor flink vol. De tweede halte stonden er nog veel meer. Dit waren allemaal heren met een kaartje met een “P” erop (rechercheurs).
Een van hen vroeg aan mij : “Chauffeur, is dit een vaste halte?” Ik zei tegen hem : “Ik kijk het even voor u na”. Nadat ik eerst alle passagiers geholpen had, stapte ik uit de autobus en voelde buiten aan de halte. En ik zei : “Jawel, hartstikke vast, mijnheer!” Dit leidde tot grote hilariteit in de bus. Natuurlijk was deze mijnheer niet tevreden met mijn antwoord. Het gevolg was dat deze man een klacht indiende en ik vervolgens een prent ontving.