dinsdag 22 maart 2011

Jeugdherinneringen 5: begin van een carrière

Toen ik besloten had om bij de RET te solliciteren, dacht ik toen ik de eerste keer langs de boerderij kwam: “zo kan ik toch nog van mijn vroegere werkplek genieten door er dagelijks naar te kijken”.
Zo heb ik er nog vele duizenden keren op terug kunnen kijken.
Gelukkig staat de boerderij er nu nog steeds, want hij staat op de monumentenlijst. In de omgeving heb ik alles gesloopt zien worden. Ook de twee huizen waar we zelf in gewoond hebben. Dit moest allemaal gebeuren in verband met de Deltawerken, de zogenaamde dijkverzwaring. Het is niet alleen slopen wat er plaatsvond. Ik heb er ook zien bouwen. Onder meer de van Brienenoordbrug. Wanneer ik iemand vertelde, dat ik daar vroeger koeien zat te melken, dan keken de mensen me aan en dachten, die man is gek. Zo moesten we vroeger de twee sporen van het vroegere Maasstation over. Dat was ook levensgevaarlijk. Maar die treinen kon je nog een beetje vertrouwen als je tenminste de vertrektijden goed wist. Die spoorlijnen zijn nu vervangen door de Abraham van Rijckevorselweg. Kun je je voorstellen hoe ik daar met koeien aan een touw en vrachten hooi de oversteek maakte? Door de tijd heen zijn al die boerenbedrijven verdwenen. En aan de IJssel verdwenen vele scheepswerven, waar ik bussen vol personeel voor vervoerde.

Jeugdherinneringen, toen en nu!

Zoals mijn eigen broers en zussen nog wel weten, moest je vroeger als je niet wist wat je worden wilde, volgens onze Pa, maar timmerman worden. Daar is een gebrek aan zei hij altijd. En hij had gelijk, want heel Rotterdam moest weer opgebouwd worden en dat moest door onze generatie gedaan worden. Maar een timmerman zoals ik daar hadden ze niks aan, want alles wat ik maakte werd scheef. Ik dacht daar een oplossing voor gevonden te hebben, maar toen werd alles weer scheef de andere kant op. Vandaar dat ik besloot een ander beroep te kiezen. Het werd boerenknecht en dat heeft ook nu nog steeds mijn bekoring. Alleen viel daar te weinig te verdienen. Dus na een poosje hield ik het voor gezien en werd ik buschauffeur. Bij de RET heb ik het enorm naar mijn zin gehad.
Als ik niet afgekeurd was, dan deed ik het nu nog. Maar die rotziekte heeft ongevraagd roet in het eten gegooid. Zo maakte ik allemaal plannen voor als ik met pensioen zou gaan, maar al die gouden bergen, zijn in molshopen veranderd.
Want de mens wikt maar God beschikt, en neem maar van mij aan:
Je hebt meer spijt van de dingen die je niet gedaan hebt, dan van de dingen die je wel gedaan hebt.
Ooit nog een oud gezegde geleerd van Tante Nel, die zei :
“Als het niet gaat zoals het moet, dan moet het maar zoals het gaat”.
Deze laatste heeft me lang op de been gehouden, maar nu ben ik op een punt gekomen, dat ik vaker zeg: “voor mij hoeft het niet meer”.

Hhiljjjjj mbbhtiouio mmmmmmmmmmmm vbvvvvvvvvbb

Help, daar deed het typeapparaat weer even niet wat ik wilde.
Komen er twee broeders binnen, die zullen wel blij zijn met mijn nieuwe hobby, want ik heb ze nogal eens nodig. En die gasten schijnen nog overal verstand van te hebben ook. Of het nu om een rolstoel met een hoop elektronica gaat of een typemachine uit het jaar 0, zij fiksen het.

donderdag 10 maart 2011

Jeugdherinneringen 4: Op vrijersvoeten

Toen ik net 18 jaar was, werkte ik als boerenknecht bij een boer.
Jullie zullen wel begrepen hebben dat die koeien geen 21 maanden konden wachten en hun melk op konden houden, voor ik weer uit militaire dienst terug kwam. Dus mijn plekkie op de boerderij waar ik werkte, was ingenomen door een ander. Die kon natuurlijk niet gelijk aan de kant gezet worden. Toen ben ik dat seizoen op een andere boerderij aan het werk gegaan. Dit was een gemengd bedrijf (half vee en half landbouw). Daar moest ik keihard werken. Toen besloot ik om te switchen, ik werd toen chauffeur op een zandkiepwagen. Ik begon bij een boer die ook een transportbedrijfje had. Daar kreeg ik een oude legertruc, waar ze een keepbak op hadden gezet. Deze wagen was van het merk Dodge.
Op de eerste boerderij waar ik werkte, daar heb ik mijn Sjaantje leren kennen. Zij was bevriend met de twee dochters van de boer. Ik dacht aanvankelijk dat zij een beetje te jong voor mij was. Maar toen ik mijn baas eens hoorde zeggen dat Sjaan Verbaas al 18 was, vond ik dat zij een respectabele leeftijd had bereikt om verkering te kunnen krijgen. Toen heb ik er geen gras over laten groeien, de stoute schoenen aangetrokken en haar mee gevraagd naar de bioscoop.
De film die wij toen zagen heette Bleke Bet, het was voor die tijd een romantische film. Het verhaal speelde zich af in de Jordaan.
De volgende dag was die snotneus jarig. Sjaantje werd toen 19 jaar. Ik heb haar een dozijn zakdoekjes kado gegeven met een zoentje op haar wang! Zo is onze verkeringstijd begonnen.
Aangezien ik regelmatig in de petoet zat (ik zat namelijk in militaire dienst en was de braafste ook daar niet), zagen wij elkaar sporadisch. Na 21 maanden zat mijn diensttijd erop. Pas toen kregen Sjaantje en ik meer tijd voor elkaar in de weekends.
Doordeweeks reed ik met vrachten zand en straattegels op de keepwagen voor de Gemeente Rotterdam. Zo heb ik in die tijd denk ik zo’n beetje iedere straattegel van Overschie door mijn handen gehad. En zo was Sjaantje in de Bijenkorf als verkoopster aan het werk. In de weekends spraken wij met elkaar af. Zo gingen wij samen hier en daar op visite bij vrienden en familie.
toentertijd trokken wij vooral veel op met Heiltje en Cees. Ook waren we regelmatig aan het oppassen bij Jan van Buren op zijn hele kinderschaar.
Na verloop van tijd zijn wij in ondertrouw gegaan (navraag bij Sjaantje leverde de datum 22 oktober 1954 op). Sjaantje wilde dat persé aan het strand van Scheveningen vieren. Ik kan me nog heel goed herinneren dat het die dag stormde en pijpenstelen regende.
Door de nattigheid en kou kregen we de ringen moeizaam aan elkaars vinger geschoven. Onze verlovingstijd duurde zo ongeveer een half jaar. Want op 17 augustus 1955 zijn wij in de Maaskerk aan de Schaardijk in het huwelijk getreden. Wij gingen wonen bij mijn schoonouders aan de Schaardijk 128.

Kledingcontrole (RET)

Toen ik weer eens op het kledingbureau verscheen om kleding te halen, zei de man die me daar te woord stond : “Uw pet… waar is uw pet gebleven?”
Ik vertelde hem dat ik met lijn 1 mee gekomen was en dat mijn pet van mijn hoofd waaide en onder de tram terecht gekomen was. En dat de kleermaker er helaas niets meer van kon maken. Vervolgens vroeg hij : “En het embleem? Waar is dat gebleven?” Dat was in 6 stukken , antwoordde ik, en de zilversmit kon daar niets meer van maken.
Ogenblikkelijk werd er een prent in drievoud uitgeschreven. Eén voor de directie, één voor het kledingbureau en één voor de wethouder. Wie schetst mijn verbazing... na enige tijd ontving ik een aangetekende brief van de wethouder. In deze brief werd mij  verzocht fl. 2,50 bij te dragen voor de schade die het bedrijf geleden had.